Wat is de beslagvrije voet?
De beslagvrije voet is het wettelijke minimum-inkomen dat een schuldenaar maandelijks moet overhouden om te kunnen voorzien in primaire levensbehoeften — huur, energie, voedsel, zorgverzekering. Deurwaarders en de Belastingdienst mogen niet onder dit bedrag inhouden bij loon- of uitkeringsbeslag. De beslagvrije voet is wettelijk vastgelegd in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
Vereenvoudiging per 2021
Tot 2021 was de berekening complex en afhankelijk van zelf-aangeleverde gegevens, wat in de praktijk leidde tot een gemiddeld te lage beslagvrije voet. De Wet vereenvoudiging beslagvrije voet (inwerkingtreding 1 januari 2021) heeft het systeem omgevormd. Brondata komen nu rechtstreeks van CBS, SVB en de Belastingdienst, en de formule houdt automatisch rekening met huur, zorgpremie en het inkomen van een eventuele partner.
Cumulatief beslag
Wanneer meerdere schuldeisers tegelijk beslag leggen, ontstaat het risico dat de schuldenaar onder de beslagvrije voet komt. Daarom is in art. 478 Rv geregeld dat één deurwaarder als coördinerend beslaglegger optreedt. Deze coördineert de inhoudingen en bewaakt de ondergrens. Schuldenaren kunnen via de BVV-rekentool zelf hun beslagvrije voet berekenen en eventuele fouten aankaarten.
Beslagvrije voet versus Vtlb
In Wsnp-trajecten en bij bewindvoering wordt vaak gewerkt met het Vrij Te Laten Bedrag (Vtlb), een verwante maar afzonderlijke berekening van het Nibud. Het Vtlb is in beginsel iets hoger dan de beslagvrije voet en houdt rekening met andere uitgaven (bijvoorbeeld een reserve voor onverwachte kosten). Bewindvoerders gebruiken Vtlb-berekeningen om leefgeld vast te stellen.