Wat is de Wmo 2015?
De Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 — afgekort Wmo of Wmo 2015 — verplicht gemeenten om burgers te ondersteunen die door beperkingen, ouderdom, chronische psychische of psychosociale problemen niet zelfstandig kunnen meedoen in de samenleving. De wet is op 1 januari 2015 in werking getreden als onderdeel van de decentralisaties in het sociaal domein, waarbij verantwoordelijkheden vanuit het Rijk en de provincies werden overgeheveld naar gemeenten.
Maatwerk en algemene voorzieningen
De Wmo onderscheidt algemene voorzieningen (vrij toegankelijk, zoals een buurthuis of welzijnswerk) en maatwerkvoorzieningen (op aanvraag, na beoordeling). Voorbeelden van maatwerk: huishoudelijke hulp, individuele begeleiding, dagbesteding, vervoer, woningaanpassingen, hulpmiddelen, en beschermd wonen voor mensen met ggz-problematiek. De gemeente bepaalt — na een keukentafelgesprek — wat passend is.
Procedure en termijnen
Een aanvraag begint bij het gemeentelijk Wmo-loket of een sociaal wijkteam. De gemeente voert een onderzoek uit (vaak een gesprek aan de keukentafel) en moet binnen acht weken na aanvraag een beschikking afgeven. Tegen deze beschikking staat bezwaar en beroep open. Voor de meeste voorzieningen geldt een eigen bijdrage in de vorm van een abonnementstarief van €20,60 per maand (2025).
Verhouding tot andere wetten
De Wmo grenst aan meerdere wetten. Voor jongeren onder 18 jaar geldt de Jeugdwet. Voor zware, blijvende zorg met 24/7-toezicht geldt de Wet langdurige zorg (Wlz), met indicatie door het CIZ. Voor medische zorg geldt de Zorgverzekeringswet. Voor inkomen en re-integratie geldt de Participatiewet. In de praktijk zijn deze wetten vaak verweven en is goede afstemming tussen gemeentelijke afdelingen essentieel om mensen niet tussen wal en schip te laten vallen.